08/04/2008 – Een paar maanden geleden vroeg een collega aan mij of hij wat geld kon lenen. Hij had het nodig om zijn dochtertje naar de dokter te brengen, vertelde hij. 1000 Afghani (20 dollar) zou voldoende zijn vertelde hij erachter aan. Ik gaf hem het geld en vroeg niet wat zijn dochtertje had. Een paar dagen later kwam hij het geld terugbrengen. Ik nam het niet aan en vroeg wat voor ziekte zijn dochtertje had. Dat was het begin van een lange weg van mijn betrokkenheid bij de ziekte van zijn vijf-jarige dochter, Parisa.
Mijn collega vertelde me dat zijn dochter ongeveer ander half jaar geleden was gevallen en haar hoofd tegen de metalen waterpomp had gestoten. Zij had daardoor een interne bloeding gehad. Omdat de bloeding niet goed was genezen en het bloed achter haar rechter oog was blijven ‘hangen’, had ze nu allerlei problemen met haar ogen en neus.
Het leek mij in eerste instantie niet zo ernstig. Toen ik vorige maand naar Nederland wilde gaan vroeg mijn collega of ik het medische dossier van zijn dochter mee naar Nederland wilde nemen om te kijken wat ze precies had en of ik een brilletje voor haar wilde meenemen. Want ze allerlei problemen met haar ogen. Ik nam het dossier mee en gaf het vervolgens aan mijn zus. Aan de hand van de beschrijvingen zag zij dat zij een tumor had in haar hoofd en dat de valpartij en de bloeding in geen enkele relatie stonden met de tumor. Er is toen in 2006 iets misgegaan waardoor de familie van Parisa tot twee weken geleden nog vanuit gingen dat zij nog leed aan de gevolgen van haar val. Ik weet niet precies bij wie het fout is gegaan. Er is een aantal verklaringen. Of de doktoren hebben het niet gezien dat het een tumor was, of hebben de doktoren het geheim gehouden dat zij een tumor heeft wat hier in Afghanistan wat vaker voorkomt. Of, tot slot, haar vader en moeder hebben het niet begrepen dat ze een tumor heeft.
Ongeveer anderhalf week geleden is Parisa in coma geraakt. Haar ouders hebben haar toen naar het Franse Ziekenhuis gebracht. Daar hebben ze nieuwe onderzoeken gedaan, waaronder een CT-scan. Het resultaat was dat de tumor is inmiddels gegroeid tot 3×4 cm. In 2006 was het ‘slechts’ 2×2 cm. De lokale doktoren hebben het opgegeven. Er zijn geen mogelijkheden voor haar behandeling (lees operatie) hier in Afghanistan.
Vorige week toen ik het hoorde hebben mijn broer en ik een afspraak voor haar geregeld bij het Amerikaanse militaire ziekenhuis in Bagram, net buiten Kabul. In dit ultra moderne ziekenhuis worden geen burgers behandeld. Maar Afghanistan is en blijft een land van contacten. Mijn broer had de hoogste Amerikaanse militair in Afghanistan gebeld en gevraagd of zij het meisje wilden behandelen. Daarna was het binnen een uur geregeld. Afgelopen vrijdag gingen zij er naartoe. De doktoren constateerden dat er een snelle ingreep nodig was anders was ze die vrijdag of zaterdag al overleden. Zaterdagochtend kregen we een e-mail van dezelfde general met de mededeling dat het meisje was geopereerd en dat zij het naar omstandigheden heel goed deed. Mijn broer en ik waren zo blij dat het leek alsof ziji onze eigen dochter was. Maar een aantal uren daarna kwam het bericht dat ze niet voor de tumor was geopereerd, maar dat zij een pijpje tussen haar hoofd en buik hadden geplaatst om de druk uit haar hersenen weg te halen. De tumor was nog altijd daar en de Amerikanen zeiden dat ze geen mogelijkheden hadden om deze te verwijderen. Zaterdagmiddag was Parisa weer thuis. Haar leven was verlengd, maar voor hoelang weet niet niemand.
Toen ik eenmaal wist dat zij niet meer in Afghanistan geopereerd kon worden, ben ik er achter aan gegaan om te kijken of ik haar in Nederland kon krijgen voor de operatie. Ik heb bijna alle kinderziekenhuizen van Nederland gebeld. Ik had heel graag de verbazing op het gezicht van de telefonistis willen zien als ik vertelde dat ik uit Afghanistan bel. Ik ben uiteindelijk bij het Juliana Kinderziekenhuis doorverbonden met een specialist. Ik legde hem de situatie uit en hij verwees me door naar iemand uit het Sophia Kinderziekehuis.
Gistere kreeg ik een dokter uit het Sophia aan de telefoon. Wat een aardige mevrouw! Zij nam er de tijd voor en we spraken de mogelijkheden voor haar behandeling in Nederland. Zij kan inderdaad in Nederland geopereerd worden. Dat is geen probleem. Het feit dat de tumor al 12 cm2 groot is, is ook geen probleem. De dokter zei dat ze dat soort operaties dagelijks uitvoeren. Maar de nazorg is wel een groot probleem. Het meisje kan natuurlijk niet in Nederland blijven voor een hele lange periode. De nazorg zou dus in Afghanistan moeten plaatsvinden. De dokter vroeg me of ik wilde uitzoeken of het soort nazorg dat vereist is hier in Afghanistan mogelijk is. Zij zou bijvoorbeeld na de operatie voor een hele lange periode behandeld moeten worden voor allerlei gevolgen van de operatie.
Ik ging gisteren op stap om uit te zoeken welke mogelijkheden voor nazorg hier in Afghanistan zijn. Ik ging naar het Franse Ziekenhuis waar het meisje ook onder behandeling was. Voordat ik ging belde ik een bevriende (ex)arts om voor mij een afspraak te maken. Dat was meteen geregeld. Het was voor het eerst sinds heel veel jaren dat ik weer in een Afghaans ziekenhuis was. De laatste keer was begin jaren negentig toen mijn oom in het ziekehuis lag. Het was een aparte beleving waarover ik een volgende keer zal schrijven. Ik ging bij de balie en vroeg waar de radioloog was met wie ik een afspraak had. De assistente ging hem zoeken en hij had een patient. Het duurde nog even voordat hij klaar was, maar ik wilde het niet afwachten en gaf mijn visitiekaartje aan de assistente of zij het aan de arts wilde geven en zeggen dat ik op hem wachtte. Ik zag dat hij onmiddelijk zijn kamer verliet en misschien ook zijn patient en kwam naar me toe. Wij gingen in een ander kamertje zitten en praten over het meisje. Hij zei dat hij niet veel wist over het soort behandeling dat nodig was, maar dat we naar de afdeling chirurgie moesten. De radioloog ging met mij mee naar die andere afdeling. Daar was het hoofd van de afdeling niet aanwezig en moesten we wachten. In plaats dat de radioloog mij liet wachten op de dokter en zelf terug ging naar zijn werk en patienten, bleef hij daar met mij wachten. Uiteindelijk vroeg ik hem of hij wilde weggaan, want er wachtte nog heel veel patienten op hem. Hij ging terug naar zijn werk en ik ging terug naar mijn kantoor, want de chirurg kwam niet meer opdagen. Ik kreeg zijn telefoonnummer.
Vanochtend heb ik de chirurg gebeld. Een zeer aardige man. Hij vertelde mij dat het soort behandeling dat het meisje nodig heeft na een eventuele operatie hier in Afghanistan niet mogelijk is. Men kan hier problemen die zij zal krijgen met haar hormonale huishouding, bijvoorbeeld, niet eens vaststellen, laat staan behandelen. Hij vertelde me tevens dat hij Parisa kent en hij al in 2006 wist wat zij had en dit aan haar vader verteld. En de laatste keer dat hij haar zag had hij Parisas vader al indirect medegedeeld dat nu elk soort behandeling voor haar te laat is. Ik belde daarna mijn zus en zij zei precies hetzelfde. Alleen een operatie kan haar niet helpen. Ik ga zometeen de specialist van het Sohpia bellen en haar vertellen dat de vereiste nazorg in Afghanistan niet mogelijk is. Ik weet niet wat zij gaat zeggen, maar het is niet moeilijk om dat alvast te raden.
Ik heb naar mijn mening er alles aan gedaan om een oplossing te vinden en dit meisje te redden, maar dat is niet genoeg gebleken. Ik ben zelf nu ten einde raad en zeer aangeslagen. Ik wil het me niet eens voorstellen wat de ouders van het meisje nu voelen. Ik ben niet eens familie van het meisje en het doet mij al zoveel pijn. Hoeveel pijn zouden haar ouders hebben?